Gearchiveerd onder: Kollums
“Goede morgen, buurman. Wat zie ik? Aan het sneeuwruimen? Bezig met de uitvoering van een taakstrafje?”
De man blaast in zijn handen om ze te ontvriezen. Een paar jongens uit de buurt gooien hem met sneeuwballen. Als hij een bal tegen zijn oor krijgt wil hij belhamels toe spreken, maar bedenkt zich.
“Ik voel mij,” zegt hij tegen mij, “als een raadslid aan de vooravond van de verkiezingen.”
Ik maak van de gelegenheid gebruik en stel hem de volgende indringende vraag.
“Vertel mij dan op wie ik moet stemmen.”
“Goede vader Bal,” zegt hij. “Over deze vraag heb ik inderdaad nagedacht.
De ideal kansdidaat heeft geen snor maar haar op het hoofd. Bij mannen is het nog anders. Die moeten ook verstand hebben. Daar wordt speciaal op gescreend. Let maar op. Mannelijke kandidaten zijn slim. Ook al staat hij op de tweeënzeventigste plaats. Maar de lijsttrekker is de slimste, want die staat bovenaan.”
Binnen vertel ik moeder Poets wat onze buurman mij heeft gezegd.
“Ik weet op wie jij en ik moeten stemmen, vrouwlief. En weet jij wie dat is?”
Zij kijkt mij wantrouwend aan, want politiek maakt haar schichtig.
“Wij moeten stemmen op de slimste.”
“Ha!!!,” roept ze schamper, terwijl ze haar handen afveegt. “Ze zijn allemaal even stom.”
“Nee, vrouwlief. Dat zie je verkeerd.”
Ik wil haar uitleggen waarom dat zo is, als er wordt gebeld. Op de stoep staat een jongeman van een jaar of veertig. Hij is kaal en heeft een snor. Het verkeerde type, maar hij lacht mij toe alsof hij veel van mij houdt.
“Ik ben de lijsttrekker van de Plaatselijke Vooruitgang,” zegt hij opgewekt. “Ik kom u vragen om op ons te stemmen. Wij zijn tegen klimaatverandering en voor de verheffing van het volk.”
“Geweldig,” roep ik uit. “Op jou heb ik gewacht. Hoeveel kost het?”
“Helemaal niets, meneer Bal. U betaalt ons met uw stem. De gemeente zorgt voor het schrijfgerief.”
Geef een reactie tot nu toe
Een reactie plaatsen